— EDITIE MEI 2026 —
Op 1 oktober 2026 publiceerde Mia Hughes op het Genspect-platform een reconstructie van hoe de Nederlandse genderkliniek aan de Vrije Universiteit — de kliniek waar later het zogeheten Dutch Protocol uit voortkwam — in de jaren zeventig, tachtig en negentig haar maatschappelijke draagvlak opbouwde. Niet primair via gecontroleerd onderzoek, stelt Hughes, maar via een volgehouden mediastrategie die vraag creëerde vóórdat er stevig bewijs lag.
Wat Hughes precies reconstrueert
Hughes schetst een tijdlijn die begint in 1968, wanneer arts Otto de Vaal in Nederland hormonen begint voor te schrijven aan mensen die zich meldden met wat toen "transseksualisme" heette. In 1976 keurt de Medisch Ethische Commissie van de VU na tweeënhalf jaar beraad operatieve ingrepen goed — een besluit dat volgens Hughes sindsdien nooit meer fundamenteel is heroverwogen. Vanaf eind jaren zeventig verschijnen klinisch coördinator Jos Megens en endocrinoloog Louis Gooren geregeld op televisie en radio om over de behandeling te vertellen. Een bekend voorbeeld dat Hughes aanhaalt: een laat-avondprogramma waarin Megens expliciete beelden van vaginoplastiek, phalloplastiek en metoidioplastiek aan een breed publiek toont.
"Mijn telefoon stopte niet met rinkelen"
Het scharnierpunt van Hughes' betoog is een uitspraak die ze aan Megens toeschrijft: telkens als een tv-programma aandacht had besteed aan transseksualisme, stopte zijn telefoon de volgende dag niet met rinkelen. Hughes leest dat als het mechanisme zelf: media-aandacht genereerde aanmeldingen, en die aanmeldingen werden op hun beurt aangehaald als bewijs dat de behandeling in een maatschappelijke behoefte voorzag. Een stijgende lijn in aanmeldingen is in die lezing dus geen onafhankelijke bevestiging dat de behandeling werkt — het is voor een belangrijk deel het resultaat van de zichtbaarheid die de kliniek er zelf aan gaf.
Wat klopt, en waar de redenering een sprong maakt
Dat de VU-kliniek actief de media opzocht, dat de goedkeuring van 1976 niet opnieuw is getoetst, en dat vroege pleitbezorgers als Megens en Gooren zendtijd gebruikten om het onderwerp te normaliseren: dat zijn controleerbare, historische gegevens, geen interpretatie. Waar Hughes' stuk voorzichtiger gelezen moet worden, is de volgende stap: dat groeiende aanmeldingscijfers ná mediaoptredens op zichzelf al aantonen dat er géén onderliggende klinische behoefte bestond. Die twee dingen kunnen allebei waar zijn — meer zichtbaarheid trekt mensen aan mét een reële hulpvraag, en een kliniek kan tegelijk haar eigen populariteit aanzien voor klinisch bewijs. Hughes schrijft voor Genspect, een organisatie die zich expliciet verzet tegen het huidige affirmatieve model; dat maakt haar invalshoek niet onwaar, maar wel een selectie met een duidelijk doel, en geen peer-reviewed reconstructie.
Waarom dit meer is dan geschiedenis
Het onderliggende patroon dat Hughes blootlegt — een klinische praktijk die ontstaat, publiek wordt verdedigd, en vervolgens decennialang niet meer fundamenteel wordt getoetst — is precies het soort vraag dat een recente analyse van twintig jaar VUmc-cijfers ook stelt: cijfers die als "twintig jaar bewijs" worden gepresenteerd, dekken in werkelijkheid een protocol dat onderweg meermaals is verschoven. Dezelfde kliniek publiceerde onlangs ook een eigen studie over autisme en genderidentiteit met een geruststellende conclusie op een kleine groep — een ander voorbeeld van hoe lastig het is om klinisch zelfonderzoek en onafhankelijke toetsing uit elkaar te houden.
Voor wie zelf worstelt met de vraag wat eigen gevoel is en wat door een omgeving — inclusief decennia aan media-normalisering — is aangereikt, is dat geen reden om elke behandelvraag te wantrouwen. Het is wel een reden om bij elke claim te vragen: is dit onderzoek, of is dit vooral herhaling? Een eerdere lezing op deze site van een ander Genspect-essay van Hughes liep tegen eenzelfde patroon aan: een aannemelijk verhaal, gepresenteerd met meer stelligheid dan de brondata toelaat.
Bronnen
Mia Hughes, "How the Dutch Normalized Medical Madness", Inspecting Gender (Genspect/Substack), 1 oktober 2026: genspect.substack.com/p/how-the-dutch-normalized-medical.
Dutch Protocol, "Twintig jaar VUmc-cohort: wat het onderzoek niet laat zien" (analyse van de SEGM-kritiek op de VUmc-cohortstudie): dutchprotocol.nl/artikelen/vumc-20-jaar-cohortstudie-kritiek.

Ineke De Vos
Redactie
Veelgestelde vragen
Wie waren Jos Megens en Louis Gooren?
Jos Megens was jarenlang klinisch coördinator van de genderkliniek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam; Louis Gooren was er endocrinoloog. Beiden traden vanaf eind jaren zeventig geregeld op in tv- en radioprogramma's om over de behandeling van destijds zogeheten "transseksualisme" te vertellen.
Betekent dit dat de behandeling destijds nergens op gebaseerd was?
Niet per se. Mediaoptredens en het uitblijven van herbeoordeling van de goedkeuring uit 1976 zijn op zichzelf geen bewijs dat de behandeling niet hielp — ze laten wel zien dat maatschappelijk draagvlak en wetenschappelijke onderbouwing twee verschillende dingen zijn die makkelijk door elkaar worden gehaald.
Is de Genspect-analyse van Hughes een neutrale bron?
Nee, en dat vermeldt dit artikel expliciet. Genspect is een organisatie die kritisch staat tegenover het huidige affirmatieve model voor jongeren. De historische feiten die Hughes aanhaalt zijn controleerbaar, maar haar selectie en interpretatie ervan dienen een standpunt — reden om de brondata zelf te wegen in plaats van de conclusie over te nemen.
"Wat ik over mijn gender schreef, schreef ik om er door te komen — niet om er een vlag van te maken."
— de redactie, mei 2026
© 2026 Stichting Genderinfo i.o. — Mijngender.nl biedt informatie voor wie de eigen gendergevoelens wil verkennen, gebaseerd op publiek beschikbare bronnen. Alle bronnen worden vermeld bij de betreffende inhoud. De informatie vervangt geen medisch of juridisch advies.